Een nieuw bericht

Hier een oude tekst geplaatst:

Iedereen die werkt op een ministerie heeft eigenlijk maar één focus: het ondersteunen van de eigen minister bij het vormen en uitvoeren van haar of zijn beleid. Natuurlijk zijn er ook andere ministeries die nuttige dingen doen, maar als je op ministerie X werkt dan telt alleen het goed functioneren van de baas van ministerie X. Op deze regel bestaat in Nederland één uitzondering: op het ministerie van Buitenlandse Zaken heb je het directoraat-generaal Europese Samenwerking en dat werkt zich een paar keer per jaar uit de naad voor de minister-president, die het Nederlandse lid is van de Europese Raad, het hoogste politieke sturingsorgaan van de Europese Unie.

Die Europese functie van de minister-president is precair omdat hij daarmee op het werkterrein komt waarvoor in de eerste plaats de minister van Buitenlandse Zaken (BZ) verantwoordelijk is. Die spanning tussen de bewindspersonen BZ en van Algemene Zaken (AZ) bereikte een kleine dertig jaar geleden een hoogtepunt toen Ruud Lubbers minister-president was en Hans van den Broek leiding gaf aan BZ.

Lubbers vond dat hij, na een voorbespreking ik de Ministerraad, Nederland naar beste vermogen en met een eigen invulling in de Europese Raad kon vertegenwoordigen en dan achteraf daarover verantwoording kon afleggen. Ook vond Lubbers dat hij, zo nodig op eigen houtje, bilateraal contact moest kunnen houden met de leiders van andere EU-landen. Van den Broek zag dat – begrijpelijk –als een uitholling van zijn bevoegdheden.

Het conflict tussen beiden is formeel nooit opgelost maar werd gesust doordat Lubbers zei dat het eigenlijk geen groot probleem was en dat het in de praktijk altijd wel goed kwam. Dat is opmerkelijk omdat het wel gaat over één van de grondbeginselen van onze staatsinrichting, namelijk dat de minister-president primus inter pares is in de Ministerraad. Hij is weliswaar voorzitter van die raad, maar heeft niet meer bevoegdheden dan de andere leden. Toch claimde Lubbers dat hij de ruimte moest hebben om in de Europese Raad zo nodig standpunten in te nemen die konden afwijken van die van de minister van Buitenlandse Zaken. Er zijn in de loop der jaren voorstellen gedaan om dit formeel op te lossen, maar geen enkel daarvan heeft het gehaald.

Deze belangrijke kwestie is nu heel helder en vlot beschreven in het proefschrift van David Nederlof. De jonge doctor in de Rechtsgeleerdheid behandelt de constitutionele en historische aspecten van het lidmaatschap van de Europese Raad in drie landen: Duitsland, België en Nederland. In Duitsland is het overzichtelijk omdat de Bondskanselier een extra Kompetenz heeft. In Nederland is het probleem van de spanning tussen de ministeries van BZ en AZ pragmatisch onder het tapijt gemoffeld. In België is het pas echt lastig omdat de federale regering daar steeds minder bevoegdheden heeft, maar de federale minister-president wel namens alle gewesten en gemeenschappen moet spreken.

Scroll naar boven